Jan de Wyse werd geboren in het jaar 1636 in Breda. Zijn vader was een bierbrouwer. Jan was een rijk en succesvol zakenman. Hij bezat zelfs een kasteel. Hij was getrouwd en kreeg met zijn vrouw Ida 4 kinderen, maar die stierven helaas allemaal op jonge leeftijd. Jan en Ida waren katholieke christenen, maar toen Jan 12 jaar oud was, werd het katholieke geloof min of meer verboden in Nederland. Nederlandse katholieken konden dan enkel nog stiekem of in België naar de kerk gaan. Om dat gemakkelijker te maken, liet Jan de Wyse een kerk en klooster bouwen vlakbij de grens, in Meersel. Er werd een toegangsweg aangelegd vanuit Nederland, met bomen ernaast, en zo ontstond de plaatsnaam Meersel-Dreef. Jan de Wyse werd 89 jaar oud, wat héél oud is voor die tijd. Hij overleed in 1725. Jan en Ida liggen allebei begraven in de kerk van Meersel-Dreef.
De Legende van Jan de Wyse, Bitter en Zuur
De Voesenekken was in de 17de eeuw een bende die bestond uit een herbergier en drie grote jongens, echte misdadigers. Zij hadden een café langs de weg die liep van Breda naar Antwerpen.
Daar kon je overnachten en iets eten. Je werd er vriendelijk ontvangen, maar… de reizigers die daar kwamen, keerden nooit meer terug. Die werden daar gedood! In de slaapkamers stonden wentelbedden. Als daar een reiziger in lag te slapen, draaide de matras plots om en werd de reiziger verstikt tussen scherpe pinnen en het bed. Het lichaam werd in de koeienstal begraven. Later zijn daar wel twintig lichamen gevonden.
In de herberg werkte een meisje dat in de buurt woonde. Zij werkte daar niet graag, maar durfde geen ontslag te nemen omdat ze zo bang was voor haar bazen.
“Meid, als je verraadt wat er hier gebeurt, ben je morgen dood", zei Voesenek.
Op een avond kwam in het café Jan de Wyse, een rijke handelaar uit Breda. Hij had twee grote honden bij, hij noemde ze ‘Bitter’ en ‘Zuur’ en hij nam die honden mee naar binnen.
‘Die honden kan je toch niet meenemen naar je slaapkamer?’ vroeg de meid.
'Jawel, dat zijn heel brave honden’, antwoordde Jan de Wyse. ‘Ik blijf hier twee nachten overnachten.’
De eerste nacht gebeurde er niks.
Jan ging niet in het bed liggen, want hij zag wel dat dat een vreemde machine was.
De volgende morgen vroeg hij aan de meid: “Wat gebeurt er hier? Waarom komen de reizigers die hier stoppen nooit meer terug thuis? Vertel het maar aan mij. Ik ben Jan de Wijs. Je krijgt van mij zóveel gouden muntstukken en je mag bij mij in Breda komen wonen.”
Toen zei de meid: “Ja, ik weet er alles van... ‘s Nachts hoor ik geschreeuw en dan is die mens van kant gemaakt.”
De tweede nacht ging Jan weer niet naar bed. Midden in de nacht begon het bed te draaien. ‘s Morgens om een uur of zes kwamen de Voesenekken kijken, want ze dachten dat Jan klem zat onder het bed.
Dus twee kerels kwamen de kamer binnen. Jan stond verstopt achter de deur. Hij kwam tevoorschijn en zei: “Bitter en Zuur, pak aan!”. De honden blaften en drie helpers van Jan de Wyse kwamen aangelopen.
De Voesenekken werden naar Antwerpen gebracht en ter dood veroordeeld. Op de plek waar de herberg gestaan heeft, is in opdracht van Jan de Wyse het kapucijnenklooster in de Dreef gebouwd.
