Het kapucijnenklooster werd in 1687 gesticht door Jan de Wyse, een rijke katholieke zakenman uit Breda. Er bestaan verschillende - soms gruwelijke - legendes over de keuze van de exacte plaats waar hij het klooster liet bouwen. In mei 1687 kwamen de eerste vier Kapucijnen in Meersel aan. Ze werden feestelijk ontvangen door Jan de Wyse en kregen een onderkomen in de Blauwe Hoeve. Ze verhuisden al snel naar een zelfgebouwd schuurtje op de oever van de Mark. Als je door de kloosterpoort (de Boerenpoort) kijkt, zie je het achteraan nog staan. In juni 1687 werd de eerste steen van het klooster gelegd, en in december 1687 namen de paters hun intrek in het eerste gedeelte. De schuur werd enkel nog als kapel gebruikt. Op 28 september 1688 werd de kerk in gebruik genomen. Er waren toen al zeven paters en vijf broeders. Door de grote toeloop van volk - voornamelijk Nederlandse katholieken - was er nood aan een goede toegangsweg en daarom werd in 1690 de dreef aangelegd. Zo ontstond de naam Meersel-Dreef. De kerk en het klooster werden nog verschillende malen vergroot. In 1794 werden met de inname van de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen de kloosters afgeschaft en moesten de paters verhuizen. In de 19de eeuw keerden de paters enkele keren terug, maar moesten het door moeilijkheden rond de eigendomssituatie telkens na enkele jaren weer verlaten. Dankzij een schenking konden de paters in 1879 het klooster definitief kopen en terugkeren. De huidige vorm van het klooster kwam tot stand in 1929, toen er een ziekenhuis voor kapucijnen aan toegevoegd werd. In 1962 kwam de laatste grote uitbreiding met de speeltuin 'De Zevenster'.
De Legende van Jan de Wyse en de verklede paters
Jan de Wyse ging vaak op reis. Hij had dan ook altijd hardlopers bij. Dat waren mensen die te voet boodschappen voor Jan moesten doen en die moesten lopen zo hard als ze konden.
Jan ging op reis naar België en hij wou samen met zijn personeel overnachten in een herberg.
Toen zag hij daar een oude vrouw, die in die herberg werkte, en die vrouw was de hele tijd aan het zuchten.
Jan vroeg haar waarom ze toch zo zuchtte.
“Ik mag niets zeggen”, zei de vrouw.
Jan zei: “Zeg het maar, ik bescherm je tegen gevaar. Ik ben Jan de Wijs”.
Toen zei de vrouw: “Dit café is een rovershol. Hier komen dieven binnen die zich verkleed hebben als paters. Zij vermoorden iedereen die geld bij zich heeft. “
Toen zorgde Jan ervoor dat al zijn hardlopers een wapen hadden. Hij sprak met hen af dat hij de paters zou toespreken in het Latijn. Als ze niet in het Latijn antwoordden, dan zou hij zeggen: ‘Vuur!’.
Dat heeft hij gedaan. Er kwamen paters binnen, Jan begroette hen in het Latijn, en toen de paters niet antwoordden, riep hij ‘Vuur!’. Al de rovers zijn toen doodgeschoten of gevangen genomen.
Daarna heeft Jan zijn paarden aan het lopen gezet. Op de plek waar de paarden uitgeput neervielen, heeft hij een kerk en klooster laten bouwen. Dat is gebeurd aan de Dreef. Om het klooster heeft Jan later nog eikenbomen gezet die uit Overa bij Breda kwamen. Sommige van die bomen zijn wel drie meter dik geworden.



